Pour rire (haha), je vous mets 2 exercices qui "ressemblent" à ceux qu'on avait à l'examen de néerlandais hier :
juist of fout:
Ik heb met mijn hamer mijn paard gisteren geslagen
Ik heb mijn paard met mijn hamer gisteren geslagen
Ik heb met mijn hamer gisteren mijn paard geslagen
Ik heb mijn paard gisteren met mijn hamer geslagen
Ik heb gisteren mijn paard met mijn hamer geslagen
Ik heb gisteren met mijn hamer mijn paard geslagen
Ik heb gisteren mijn paard geslagen met mijn hamer
(en gros, quelles phrases sont justes au niveau de la place des mots ?)
De tent voor het feestje / in de tuin /stond / opgesteld // speurders van de gerechtelijke
politie / zijn huis / toen / binnenvielen
(remettre les mots dans l'ordre, le premier mot étant bien "de tent voor het feestje")
Google vous sera pas d'une grande aide, il a tendance à traduire un peu tout de la même façon qu'importe la place des mots 